De Hexaster: Veerkracht door psychologische flexibiliteit

Geschreven door: Femke Klomp & Maaike Steeman

Wat zie je als je kijkt naar de kinderen in je klas? Je ziet ze lachen, je ziet ze huilen. Je ziet ze vallen en weer opstaan. Je ziet ruzies, lol, samenwerking en discussies. Soms hebben ze geluk en soms hebben ze pech. Je ziet ze hard werken en een beetje lummelen. Kinderen ervaren alles wat menselijk is en wat bij een menselijk leven hoort. Als leraar bereid je ze voor op het volwassen leven en leer je ze de kennis en vaardigheden die ze hard nodig zullen hebben. Je richt je daarbij natuurlijk op lezen, schrijven, rekenen, maar ook op de sociaal-emotionele vaardigheden van kinderen.

Om het leven voluit te kunnen leven en je te kunnen ontwikkelen, zijn twee dingen essentieel:

  • Doen wat je belangrijk vindt, met vallen en opstaan.
  • Om kunnen gaan met de klappen die het leven onvermijdelijk uit zal delen.

Als je dat heel goed kunt, dan noemen we dat bij acceptatie- en commitmenttraining (ACT) een hoge
psychologische flexibiliteit.

Veerkracht kun je leren
Psychologische flexibiliteit is niet iets dat je hebt of niet hebt. Het zijn vaardigheden die je kunt leren en oefenen. Dat kan zowel voor jezelf als leerkracht als voor de kinderen veel opleveren. Als leerkracht hoef je natuurlijk geen psycholoog te spelen en ook geen ingewikkelde extra lesjes te
geven, maar je kunt wel bijdragen aan de veerkracht van je leerlingen door je taalgebruik, je houding
en je feedback. Als eerste stap is het herkennen van deze vaardigheden van belang. Wanneer laten jij of de kinderen psychologische flexibiliteit zien? Wanneer juist niet?

Een voorbeeld: Anne moet een spreekbeurt geven
Anne van 10 jaar moet een spreekbeurt geven. Ze vindt dat vreselijk. Ze voelt zich gespannen en angstig, ze is bang dat ze niet meer weet wat ze moet zeggen. Ze is bang om uitgelachen te worden en rood te worden. Ze wil het eigenlijk niet doen, maar…het moet. Al weken van tevoren piekert ze erover. Ze stelt zich allerlei rampscenario’s voor waarin er van alles misgaat en denkt aan eerdere spreekbeurten die niet goed gingen. Die beelden zijn zo naar dat ze er liever niet aan denkt, ze zoekt dan afleiding. Elke keer als ze aan de voorbereiding wil beginnen, voelt ze spanning en gaat dan wat anders doen. Dat lucht op, even rust. Maar de presentatie komt dichterbij en het gebrek aan voorbereiding maakt haar nog zenuwachtiger. Liefst zou ze vragen of ze een vervangende opdracht mag maken. Ze vindt zichzelf stom en raar. Alle andere kinderen kunnen gewoon een spreekbeurt doen en zij niet. Wat is er toch mis met haar?

Het gedrag van Anne duidt op psychologische inflexibiliteit en je kunt je voorstellen dat het op deze manier erg moeilijk voor haar wordt om de spreekbeurt te geven of andere dingen te doen die daarop lijken. Anne zit vast.

Welke vaardigheden kunnen helpen?

Defusie: Ik geloof niet alles wat ik denk.
Ten eerste zou het Anne kunnen helpen als ze minder meegesleept wordt door haar gedachten. Bij defusie kijk je naar gedachten zoals ze zijn en niet zoals ze zeggen dat ze zijn. Een gedachte is een gedachte en niet meer dan dat. Denken aan een ramp betekent niet dat de ramp werkelijk zal plaatsvinden. Je kunt niet kiezen wat je denkt, maar je kunt wel naar je gedachten kijken en kiezen welke je serieus wilt nemen of niet. Welke gedachten helpen je en welke niet? Rampscenario’s helpen niet, die maken het alleen maar moeilijker. In discussie gaan met jezelf over de vraag of gedachten kloppen of niet, kan juist het gepieker versterken. Gedachten benoemen als rampscenario’s of ‘discussie in mijn hoofd’ kan Anne al helpen om er van een afstandje naar te kijken, als een film.

Observerende zelf: Ik kijk bewust naar mijn ervaringen.
Als je even stil bent en opmerkt wat je nu ervaart, dan kun je zien dat er gedachten, gevoelens, beelden en sensaties zijn in je innerlijke wereld. Wie is het die dat opmerkt? Dat is je observerende zelf. De vaardigheid om van een afstandje naar je ervaringen te kunnen kijken geeft veel ruimte. Je kunt dan beter zien wat er gebeurt en kunt beter kiezen hoe je daar mee om wilt gaan. Anne heeft die ruimte niet, ze zit helemaal in de ervaring. Verder beschrijft ze zichzelf als stom en raar, alsof ze dat echt is en dat maakt het allemaal nog erger. Vanuit het observerende zelf kun je zien dat je wel gedachten kunt hebben over jezelf, maar dat je die niet bent, je kunt ernaar kijken.

Acceptatie: Ik sta open voor wat ik ervaar.
Anne accepteert haar innerlijke ervaringen niet. Ze wil niet denken wat ze denkt en ze wil niet voelen wat ze voelt. Maar of ze wil of niet, zij ervaart het doen van een spreekbeurt nu eenmaal als spannend. Misschien kan dat in de toekomst veranderen, maar nu is dit wat ze ervaart. Als ze contact kan maken met wat ze ervaart in plaats van het te vermijden, wordt de kans groter dat ze de spreekbeurt kan gaan voorbereiden en uitvoeren. Acceptatie van dat wat er op je pad komt (in je binnenwereld én je buitenwereld), helpt je om op je pad te blijven.

Contact met het hier en nu: Ik richt mijn aandacht op het hier en nu.
Anne is met haar aandacht bij de toekomst (wat er allemaal mis zou kunnen gaan) en het verleden (wat er eerder allemaal misgegaan is). Als ze haar aandacht meer zou richten op het hier en nu zou het makkelijker zijn om zich voor te bereiden. In het hier en nu is het immers alleen nodig dat ze zich voorbereidt, niet dat ze het al moet gaan doen. De dag van de spreekbeurt zou naar kunnen zijn, maar de andere dagen hoeven niet naar te zijn.

Waarden helder hebben: Ik weet wat ik belangrijk vind.
Anne heeft geen contact met het waarom van de spreekbeurt, waarom is het belangrijk om te doen?
Ze doet het omdat het moet. Dat maakt het extra lastig. Waarom zou je jezelf blootstellen aan iets naars? Toch alleen als het ook iets van waarde oplevert? De leerkracht zou in gesprek kunnen gaan
met Anne. Wat zou het voor haar de moeite waard maken? Is er een onderwerp dat ze interessant vindt? Is er iets dat ze zou willen leren of oefenen? Is er een bepaalde vorm waarin ze de presentatie zou willen doen die ze leuk vindt? Misschien is er iets anders dat wel echt belangrijk is voor haar
maar wat ze ook spannend vindt om te doen? De spreekbeurt kan dan een oefening zijn in het doen
van spannende dingen, zodat de drempel om die waardevolle activiteit te gaan doen kleiner wordt.

Toegewijde actie ondernemen: Ik kies bewust wat ik doe.
Anne vermijdt het om in actie te komen, daardoor wordt het erger. Iets doen omdat het belangrijk is, ook als het spannend is, is een belangrijke vaardigheid in het leven. Stap voor stap loop je uiteindelijk je weg.

Compassie: Ik zie wat het betekent om een menselijk leven te leven, ik erken dat wat pijnlijk is, ik geef
mijzelf steun.
Compassie is de smeerolie voor bovenstaande vaardigheden. Het is een houding van vriendelijkheid, acceptatie, moed en wijsheid. Het gaat om een intentie om jezelf te steunen. In plaats van streng en
kritisch te zijn voor jezelf, is het belangrijk om mild te zijn voor jezelf. Je mag leren met vallen en opstaan, je bent nog steeds waardevol als dingen misgaan. Je mag erkennen bij jezelf dat het moed van je vraagt en het hoeft allemaal niet vanzelf te gaan. Vanuit de wijsheid van compassie kun je zien
dat pijn bij het leven hoort, dat zowel pijn als geluk komen en gaan en dat je niet de enige bent als je het moeilijk hebt. Anne vindt dat lastig, ze veroordeelt zichzelf en ziet zichzelf anders dan anderen,
alsof er iets mis met haar is.

Meer weten?
Herken je iets van de worsteling van Anne? Bij de kinderen in je klas? Bij jezelf? Iedereen kent dit
soort worstelingen en iedereen is gebaat bij deze vaardigheden. Zowel kinderen en volwassenen.
In ons boek Psychologische flexibiliteit in het onderwijs gaan we hier dieper op in en kun je lezen hoe
je zelf deze vaardigheden meer in de vingers kunt krijgen en hoe je kinderen kunt begeleiden naar
meer veerkracht. Niet door ingewikkelde lessen, maar door jouw houding, je taalgebruik en leuke
oefeningen.